Projecten met een verhaal

Bring up the Bodies – Hilary Mantel – Het boek Henry

Met kerst 2011 keerde ik terug van een hilarische hedendaagse maatschappijsatire (Sarah May) en een heerlijke al even hedendaagse bildungsroman (Sefi Atta) naar de zestiende-eeuwse wereld van Thomas Cromwell en het hof van Henry VIII: naar de wereld van Hilary Mantels Wolf Hall-trilogie, die in 2009 met Wolf Hall zelf insloeg als een bom. Het tweede deel, Bring up the Bodies wordt ‘een explosieve roman’ genoemd. Daar zit (heel) wat in. De lont brandt weer vanaf zin één, alsof er tussen boek I en II niet hele jaren zijn verstreken, en het verhaal sist, knettert en vonkt met beeldende, nietsontziende zwier rakelings langs sommige vaatjes regelrecht op het godganse kruitdepot in de Tower af.

 

De luxefase van lezen is genieten, maar gaandeweg roert zich iets, noem het onbehagen. Voor de vertaling van Wolf Hall had ik zo ontzettend veel onderzoek gedaan dat het me heel vanzelfsprekend leek dat de vertaling van Bring up the Bodies stukken gemakkelijker zou worden. Tel daarbij op dat ik me inmiddels thuisvoelde in Mantels stijl en idioom, trek ervan af dat Wolf Hall met 651 pagina’s negen maanden had gekost en Bring up the Bodies slechts 411 pagina’s telde… alleen een kniesoor zou nog zeggen dat zes maanden geen realistische inschatting was. Dat onbehagen dat zich nu roert, dat is mijn innerlijke kniesoor, die me eventjes haarfijn in herinnering brengt dat realisme en rekenkunde niet mijn sterkste punten zijn. Bij de talloze, Mantelsiaans soepel verwerkte verwijzingen – naar mythologie, legenden, literatuur, oude wetgeving, oude maat- en muntenstelsels… – zakt de moed me dan ook bijna in de schoenen. In penibel evenwicht wiebelt hij bij de enkels op de randjes terwijl ik naar de telefoon grijp. ‘H-h-h-ng,’ ventileer ik welbespraakt mijn paniek tegen de uitgever.

‘Kalmeer,’ is het antwoord. ‘Het is kerst, neem een borrel. Het komt goed.’ Ik neem die borrel, hijs mijn moed naar ooglijker hoogten en begin.

 

En ze heeft gelijk: als je eenmaal begint, krijgen problemen een naam; namen geven houvast voor speurwerk en met speurwerk zit je voor je het weet weer in het vertrouwde proces van vertalen. Het allereerste houvast waar ik me dankbaar in vastbeet, was de nogal typisch geformuleerde opdracht van het boek:

 

Once again to Mary Robertson: after my right harty commendacions, and with spede.

 

Op zoek naar een soortgelijke briefaanhef in het Nederlands raak ik verzeild in de correspondentie van Daniël Vermeulen – zo rond 1585 koopman en diplomaat in Antwerpen – met onder andere de Staten van Brabant. Dat had saai kunnen zijn, ware het niet dat destijds het Beleg van Antwerpen volop gaande was en Brabant als buffer diende tegen de Spanjaarden en ander gespuis. De brieven laten zich lezen als een volwassen spionageroman, en hoewel een groot deel van de diplomatieke post in het Frans is, zitten er ook Nederlandse stukken bij: naar alle goedwillige/ dienstige/ hertelijcke recommandaciën/ met aanbiedingen van genegenheid/  verhopende op UL welbevinden… Ergens in de e-mailwisseling vertelt Hilary dat Mary Robertson en zij bevriend zijn (dienstig valt dus af) en samen hebben gegniffeld om de beminnelijke aanhef die met regelmaat de meest barre tijding voor de ontvanger inluidde. En och, dat hoopvolle ‘with spede’ in een wereld zonder vliegtuigen of door geluidsbarrières brekende koeriersbusjes… met den meesten spoed, aan de bode het zijne.

 

En Thomas Cromwell leert zijn collega’s in de keuken van het Frescobaldi-huishouden ‘de verschrikkelijkste krachttermen’ – compleet met voorbeeld; je moet er dus invulling aan geven – in Putney-Engels omdat zijn Italiaans nog niet zo goed is dat hij ze in die taal de huid kan volschelden. Maar wat zijn in de late middeleeuwen, in het Nederlands, de verschrikkelijkste krachttermen? Vloeken blijkt indertijd bij wet verboden en de straffen die her en der op het Europese continent aan de orde waren, liegen er niet om, getuige een register met (de kosten van) de uitvoering van gerechtelijke veroordelingen. Voor een eerste blasfemische uitspatting van het kaliber ‘bij de billen, de lever en alle onnoemelijke delen van Christus (nog-aan-toe)’ of ‘bij de vijf bloedende wonden (et cetera)’ was het nog een geldboete. Bij recidive werd je aan de kaak gesteld (daar had je apparaten voor); je tong werd doorboord of helemaal uitgesneden en uiteindelijk kon je rekenen op jarenlange verbanning uit de streek waar je hele leven zich had afgespeeld, dat wil zeggen, als je niet werd opgehangen of gevierendeeld. Een nieuw bestaan opbouwen buiten een bangebied was nog niet zo eenvoudig. Heel wat ballingen zijn van honger of kou omgekomen; meer dan eens werden hun lijken aangevreten door wilde dieren teruggevonden.

 

De passage in Bring up the Bodies is zo lichtvoetig dat je voorbij zou gaan aan de dreiging ervan, de toespeling op het feit dat Cromwell continu het scherp van de snede opzoekt. Wist Hilary hoe gevaarlijk vloeken was toen ze die passage schreef? Ik ga er wel van uit, en de tegenstelling tussen de zonnige scène en de inktzwarte duisternis die erachter schuilgaat, is meesterlijk.

 

Naast het historische-feitengepluis en Mantels heerlijk beeldende taal – keukenhulpjes, die in de winterkou frosted and dripping (in vertaling geglaceerd en bedropen) om Cromwell heen zwermen – heb je die weergaloze dialogen waar het leven vanaf spat. Dialogen die zowel bij Wolf Hall als Bring up the Bodies discussie uitlokten over hun opmaak. Want komaan, directe rede hoort tussen aanhalingstekens! Toch? De Engelse tekst staat echter vol vrije directe rede: er is in de verste verte geen aanhalingsteken te bekennen. Wat doe je ermee in het Nederlands? Een volstrekt redelijke redactievraag, die à la minute op een weinig behulpzame tegenstelling kwam te staan: Handhaven versus Aanpassen. Tijd om argumenten van stal te halen. En liefst van het soort dat meer gewicht in de schaal legt dan: Jamaar, de schrijfster doet het óók.

 

Wat bewerkstelligt die ongemarkeerde directe rede eigenlijk? Misschien is het gemakkelijker om de vraag eerst andersom te stellen: wat doen aanhalingstekens? Ze omkaderen een uitlating, plaatsen die uitdrukkelijk in een hier en nu, geven er een begin en een einde aan. De opsomming is zonder twijfel onvolledig. Stel nu dat je die kaders weghaalt, dan zie je de grenzen vervagen, uitvloeien. Je krijgt het gevoel dat je rondloopt en her en der flarden van gesprek opvangt. En staan beide directe redes naast elkaar, dan wekt het de indruk dat je nu eens inzoomt op een spreker, dan weer afstand neemt en links en rechts andere sprekers aan het woord hoort. Zoals dat gaat als je in gezelschap verkeert. Handhaven dus, nondedju. Het is een prachtig voorbeeld van hoe de vorm de inhoud ondersteunt, kleurt, verrijkt en van hoe een auteur met leestekengebruik een leeservaring kan sturen.

 

Ter afsluiting een van de mooiste kronkelpaadjes waarop ik dankzij Hilary terecht ben gekomen: dat van de paradijsvogel.

 

Before he sleeps he thinks of the king’s hat on a midnight tree, roosting like a bird from paradise. 

 

Ik wil bird from paradise al rechttoe, rechtaan vertalen met paradijsvogel, maar besluit het voor de zekerheid na te gaan. Via het fabeldier kom ik uit bij een wondermooie legende: The Monk and the Bird of Paradise.

 

Het gaat om een monnik die zich zorgen maakt om zijn ziel: het ontbreekt hem in zekere zin aan vertrouwen in God. Hij kan zichzelf niet in de hemel voorstellen, kan zich niet voorstellen dat een eeuwigheid aan hemels geluk uiteindelijk geen vreselijk monotone toestand wordt. Op een ochtend gaat hij wandelen in het bos; diep in gedachten dwaalt hij steeds verder af. Op een open plek rust hij even uit. Dan strijkt er een schitterende, kleine vogel neer die zo zuiver, zo mooi begint te zingen dat de monnik alle besef van tijd verliest. Wanneer het diertje weer wegvliegt, komt hij stijf overeind: hij heeft er absoluut langer gezeten dan de bedoeling was. Op de terugweg kent hij het landschap niet terug, evenmin als de nederzettingen of de mensen. Bij de abdij is hij een vreemdeling. Als hij zegt wie hij is, kijken ze hem nadenkend aan. In de boekrollen van de abdij staat een verhaal over een van hun monniken dat zich duizend jaar daarvoor heeft afgespeeld. Het vertrouwen van de monnik herstelt zich; hij is niet langer bang voor de eeuwigheid, niet als een prachtig lied hem al duizend jaar verder voert. Hij sterft ter plekke met een glimlach op zijn gezicht.

 

Voor mezelf vertaal ik het verhaal naar Cromwell; Cromwell, de monnik, verscheurd door twijfel; de koningshoed, de vertroosting brengende vogel; Henry, de almachtige, allesbepalende God. Ik weet niet of Hilary naar dit verhaal heeft willen verwijzen, of ze het überhaupt kende; ik heb het niet gevraagd. Het is een van die momenten dat, zoals Hilary zelf aangeeft, het referentiekader van een lezer het verhaal vormgeeft. Was het voor de vertaling echt nodig om dat kronkelpaadje te volgen? Nee, lijkt me niet, maar ik had het niet willen missen.

 

De Vertalerij

Wat we doen

Wie we zijn

Literair Vertaalatelier

de Ateliers

Gastlessen

Agenda